14-01-13

LIEF

girl-in-the-city-txt.JPG

Een voorbijganger riep plots in mijn richting dat zij de bokkenpruik op had. Ik vond haar juist uitermate lief. Waarom zei die dat? Ik kende hem niet en hij mij al evenmin. En ook zij was mij voorheen en nog steeds onbekend. Ik vond haar lief omdat zij reeds een paar dagen naar mij lachte, lief lachte als ik toevallig met haar het voetpad deelde. Wat interesseerde het mij of iemand haar slechtgehumeurd vond? Ik was er zelfs wat blij mee, want anders had zij mogelijk ernstig naar mij gekeken of helemaal niet gekeken. Dat zou ik heel erg gevonden hebben eens toen ik wist dat zij zo lieflijk was. Toegegeven, ik nam me voor om daags nadien uit te kijken naar de persoon die bekend maakte dat zij de bokkenpruik op had. Ik wilde hem verzoeken om zulks voortaan niet meer publiekelijk uit te spreken. Ik dacht eraan een vriend mee te vragen. Immers, alleen was ik onvoldoende als publiek voor het geval dat de persoon het zou herhalen. Ik kon dan geen enkele getuige aanbrengen. Haar wilde ik met dergelijke futiliteit niet storen. En nog, wie wist of hij mij geen optater zou verkopen omdat ik reeds meteen welke nare bewering dan ook over haar zou afwijzen? Ik ging toch de eerste de beste schreeuwlelijk niet geloven! In dat geval kon mijn vriend van twee meter en honderdtwintig kilo mij bijstaan. Aan hem als getuige kon niet voorbijgegaan worden. De volgende dag stapten we over het voetpad waar zij telkens op mij gelachen had en keek ik naar haar lieve verschijning uit. Op de eerstkomende straathoek passeerde ik bij toeval de voorbijganger in kwestie van de dag tevoren. Zoals voorgenomen uitte ik aan hem mijn nadrukkelijke verzoek om tegen mij, noch tegen iemand anders publiekelijk te herhalen wat hij gisteren over haar zegde. “Ik zag u verliefd naar haar kijken,” reageerde hij, “en u lachte op haar, waarna zij ook op u lachte. Het was gewoon een beleefde reactie van haar waar u niets achter hoeft te zoeken, meneer.” Hij keek me met een gebrouilleerd gezicht verder aan en zo bleven we staan. “Wat ik wel of niet hoef te zoeken, is uw zaak niet, meneer,” antwoordde ik nadat ik mijn woorden goed gewikt had. Mijn vriend nam rustig de drukte op het voetpad waar en keek niet naar ons. Dat was correct. Ik kon hem altijd als getuige roepen, mocht de man in front van mij de reeds gehoorde of een andere ongepaste opmerking over haar ook ditmaal publiekelijk uitspreken indien zij zou langskomen. Opeens stapte de man voor mij snel een stukje terug op het voetpad dat ik reeds gevolgd had. Ik zag weldra dat hij haar tegemoet ging en dat zij vriendelijk op hem lachte. Hij boog zelfs lichtjes voorover en hoewel ik dat niet kon zien, was ik ervan overtuigd dat hij gladaf met eerst lachen op haar had aangevangen. Ik voel zoiets dadelijk aan! Toen vervolgde zij haar weg in mijn richting. Ik lachte haar al tegemoet, maar werd vreselijk teleurgesteld. Ze merkte mij niet een keer op en zij verdween spoedig met onverschillige blik tussen de andere voetgangers. Ik zei luid aan ieder die het horen wilde: “Vroeger was zij heel lief!” Waarop de man op wie zij ditmaal gelachen had verwonderde ogen naar mij opzette en hoofdschuddend wegging. Waarom deed hij dat? Ik had hem toch aangetoond hoe je een opmerking in het openbaar ook beleefd kon formuleren? Ik voelde me tevreden dat mijn vriend daarvan getuige was en dat niemand mij alsnog zou kunnen beschuldigden van iets erg over haar gezegd te hebben! Voor kameleontische mensen kan men niet genoeg uitkijken!

© wn        

12:00 Gepost door Willy N. in Literatuur/poëzie | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.